Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kant. Eindelijk was de beurs van den heer leeg, en hij haalde een nieuwe voor den dag. Weder begon en herbegon het spel. De waard ging af en aan, zoodra een kroes of glas was opgedronken. Zij zopen, en het hitste hen aan tot sneller geven en nemen der kaarten. Toch gaf Gerard voortdurend acht —

Wat baatte het hem? Ook de tweede beurs met goud raakte hij vóór den avond kwijt.

Ze zouden van elkander afscheid nemen. Lachende zeide magere Hein:

„Gerard! de weerwolf heeft je geen kaarten'geleerd."

„Dat zal ik mezelf leeren — en jij zult 't me leeren."

Deze belofte kwam hij na. Langzamerhand kon hij evengoed spelen als magere Hein, en niemand kon zeggen, wie 't minst en wie 't meest verloor. Daarom was magere Hein ten zeerste vertoornd, want hij had al den tijd als de beste zes-en-zestiger van den omtrek gegolden. Binnen een maand was hij zijn roem al kwijt.

Hij zon op nieuwe middelen, om Gerard te grieven.

Op een morgen, dat de heer in de kroeg trad, noodigde hij hem niet dadelijk uit, om een spelletje te kaarten. Hij schoof Gerard een glas wijn toe, en vroeg:

„Zullen we eerst eens wat drinken?"

„Waarom?"

„Dan kun je beter met elkaar praten. Heb je gehoord, dat Jan, die jou de leelijke poets heeft gebakken, een eigen boerderij gaat bouwen?"

„Wat zeg je?"

„Een eigen boerderij .... Ja — ja — en je hebt 'them nog niet betaald gezet."

Dien dag speelde magere Hein verreweg het beste, zoodat de kompanen in de herberg er zich over verwonderden. Gerard verloor goudstuk na goudstuk, en toch scheen het, dat hij geheel in zijn spel verdiept was. Hij boog zich over zijn kaarten, zijn voorhoofd was in diepe groeven gerimpeld, en zijn stem, wanneer hij een enkele

Sluiten