Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BASILISCUS VAN UTRECHT.

OOK in ons land, en wel in Utrecht, heeft een basiliscus zijn helsch wezen vertoond, nadat hij lange jaren deze streken had gemeden. Reeds had dit monster in het jaar 513 bij Dokkum achttien menschen geveld, die zijn oogen hadden gezien, en acht eeuwen later vond men weder een zeer grooten basiliscus in den put van Oldeboorne. Toen men hem ophaalde, waren het weder achttien menschen, die door hem werden gedood: even flikkerden zijn oogen, en dat vuur sloeg de sterfelijke lichamen in, welke asch werden. Men gaf allerwege acht, dat er geen basiliscus werd geboren, en men kon dit met eenige moeite wel beletten. De duivel, die op de menschelijke ziel loert, weet, dat hij gehaat wordt als vijand der wereld, en hij moet meer listig zijn dan sterk, wil hij den schat van ongeloof en twijfel naar de hel mededragen. Zijn trawanten vindt ge daarom onder onschuldige dieren, welke hij onder betoovering brengt, waarvoor zij later dikwijls moeten boeten, of het menschen waren. Evenals heksen mogen zij niet langer leven, want wat met den Duivel heeft verkeerd, is gevaarlijk voor het grootste goed ter aarde — slechts te betalen met hemelsch gewin: de ziel.

Daarom handelden de menschen wijs, als ze acht sloegen op de hanen. Sommige hanen waren er, die eieren legden zonder dooier, en deze werden uitgebroed op een mesthoop; men zeide, dat een schildpad ze stoofde. Als het ei openbarstte, kwam er een basiliscus uit, een vervaarlijk monster, welks kop zoo vreeselijk was, dat niemand dien aan kon zien, zonder den dood te sterven. Geen wezen op aarde, dat hem niet ontvluchtte: ja, hij ontvluchtte, hoe vreemd het klinken moge, zichzelf, want hij was bang, zijn eigen oogen te aanschouwen, die ook hem den dood moesten brengen. Hij vlood ih donkere putten en kelders, liefst onder een brouwerij, en daar heeft ook de basiliscus van Utrecht gewoond. Hij was uit het hanenei gekropen, en het zonnelicht vreezend, dat op meer en vaart heldere

Sluiten