Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O! is 'tdie?" vroeg de man, geheel en al ontsteld. „Wat meen je?"

„Men moet er 't beste van hopen", zuchtte hij. Ze greep hem bij den arm.

„Wat bedoel je toch?" • Hij vertelde haar, wat de duivelbanner had gezegd, en zij werd angstig. Ze stamelde:

„Je zou zeggen ... je zou zeggen . . . ."

„O! wat zou 't me spijten, als zij de heks was —"

„Denk je dat?"

,,'t Moet wel zoo zijn. Wie zou 't anders wezen? Er is me maar één vrouw tegengekomen. En dat ze zoo gauw liep! 'tKan niet anders ..."

„En wat moeten we nu met 't kind doen?"

,,'t Drankje is weg, maar de kruiden heb ik nog. We kunnen de wieg eerst uitrooken."

Het was tot midden in den nacht, dat zij ermede wachtten. Alle deuren, alle vensters werden gesloten, ja, het sleutelgat werd met was bestreken. Hoe klein de heks zichzelf ook maakte, naar binnen kon ze niet. Geen doorkomen aan.

Het hielp wel, dat men zoo goed het bevel van den duivelbanner na-kwam. Ja, de duivelbanners zijn de eenigsten, die kunnen helpen.

Men draaide de wieg om en legde de kruiden in' t komfoor. Toen de vlam erop, en heel zachtjes begonnen de kruiden te smeulen. Welk een stank, welk een stank! De man en zijn vrouw kregen het er benauwd van, vooral, nadat de rook en smook hoe langer hoe dikker en dichter de kamer doorwolkt hadden. Brrr! En alles dicht .... Het kind kreunde, en buiten werd er aan het slot gemorreld.

„Niet opendoen!" hijgde de man. „De heks."

Daarmee was het nog lang niet uit. Ineens begonnen buiten katten te blazen en te krijschen en te jammeren . . . een ware heksensabbath.

De man eazijn vrouw waren het erover eens: de duivelbanner had gelijk. Er waren booze machten in het spel.

Sluiten