Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Geef me den sleutel van de kast." Ze deed heel verwonderd.

„Wat wil je daarmee. Je heb daar toch niets te zoeken?" „Geef me den sleutel." Ze trachtte te schertsen. „Daar is niets in . . ."

„Zoo! is daar niets in? Daar is toch wel wat in?" „Neen", zei ze, en diep beet ze met haar tanden in haar lip.

„Och — een kast zonder iets erin. Wat doe je dan met een kast, waar niets in is?"

„Er is wel wat in."

„Wat is er dan in?"

„Mijn kleeren zijn erin!"

„Laat ze me zien — of is er nog meer in?"

„Ja, een popje, dat ik op straat heb gevonden."

„Zoo — een popje! Waarom heb je er me niets van gezegd? Hier de sleutel!"

Ze moest hem gehoorzamen, en hij opende de kast. Naar de kleeren keek hij niet. Hij nam het popje in zijn hand, en draaide het om en om.

„Overal zijn speldeprikken", zei hij. Ze smeekte:

„Geef 't mij terug. Geef 't mij terug."

„Dat is niet noodig. Je bent geen kind meer."

„Ik wou 't weggeven."

„Niet noodig! Ga jij maar naar bed."

„Geef 't mij maar terug."

„Naar bed! Ik blijf een kwartiertje op."

„Nee — nee — terug ... het popje . . . terug het popje." Hij tergde haar. _

„Je houdt zooveel van kleine kinderen? Je bent altijd lief tegen kleine kinderen? Ga naar bed."

Ze schreide. Wat kon ze anders doen? Ze ging schreiend naar bed.

Hij pookte het vuur op en de vlammen laaiden. Hij gooide 't popje er midden tusschen. „Zoo!" riep hij uit.

Sluiten