Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't schelpenhuis m het riet. Hij zag haar sterven, en strekte zijn armen naar haar uit. Zijn leed was zijn toorn, en zijn toorn zijn leed; één waren ze in zijn ziel.

Nog verder zwom hij in de haven, tot vlak bij de kust. Alle inwoners der machtige stad waren tezamen aan het strand, want allen wilden hun lachlust aan zijn smart verzadigen.

Welke wapens droeg de zeemeerman in zijn handen? Vuur om te verdelgen, golven om te verzwelgen ? Zwaard om te houwen, spies om te schieten, bijl om te hakken?

Arme, arme zeemeerman! De menschen konden vrij uit met hem spotten. Ze hadden hem niet te vreezen. Ze wezen naar hem met hun vingers, en schaterden.

Hij stoorde zich niet aan hun hoon. Hij had wapens in de hand, welks macht en géweld de menschen van Westerschouwen nog niet kenden. Even was hij in zee gedoken, en boven gekomen met wier en met zand, dat de wegen naar de zee afsluit. Waar gisteren nog schepen konden varen, keert morgen het zachte zand en het vleiend wier iedere boot.

De zeemeerman tilde zijn handen in de hoogte, en deed het zand en het wier vallen in geulen en ondiepten. Daarbij zong hij:

„Westerschouwen, Westerschouwen, Het zal u berouwen,

dat ge genomen hebt mijne vrouwe .... Westerschouwen zal daarom vergaan, de toren alleen zal blijven staan."

Langzaam zwom hij weg, om alleen te treuren in zijn schelpenhuisje, en niet keerde hij naar Westerschouwen terug. Maar het zand en het wier deden hun stillen en onstuitbaren intocht, winden en stormen en golven dreven het op, tot het de schepen omsloot met worgend geweld.

Toen vloden de menschen uit hun huizen, en het zand stoof op het strand. Het drong op, millioenen van korrelen, het omwoei, het omstoof de woningen, het legde zich in