Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAÏN.

NOG is Waleram's bloed ongewroken. In het land van Limburg klinkt zijn stem, ten Noorden en ten Westen, ten Zuiden en ten Oosten, doch geen echo laat ze na.

Waleram en Reginald van Valkenberg waren twee broeders, en beiden beminden ze met gelijke liefde de dochters des graven van Kleef, Alixe. Zij hadden er nog niet met elkander over gesproken, hoewel zij van oudsher gewoon waren, elkaar hun geheimen te belijden. Zij reden uit, en praatten over jacht en tournooi, over heldendaden en soms over een minstreel, die op het kasteel van Valkenberg had gespeeld, nimmer echter over Alixe van Kleef en hunne liefde.

Een* waren zij tezamen zonder doel uitgereden. Er was in beiden een geheime begeerte: dat zij het slot van Kleef mochten bereiken. Zij lachten met elkander om onverschillige dingen. Eindelijk zeide Reginald:

„Het is jammer, dat het slot van Kleef zoo ver verwijderd is. We zouden anders kunnen trachten, er nog vóór den avond te komen."

Stil besloot Waleram, de wonde niet te toonen, welke hem pijnigde. Hij betoomde zijn verlangen en antwoordde: „Wat zouden wij in het slot van Kleef moeten vinden, Reginald?"

Zijn broeder haalde diep adem. „Niets. -Ik peinsde alleen over den grooten afstand." Het was Waleram's beurt,om meer te zeggen dan hij wilde: „Zullen wij een wedstrijd houden, wie 't eerst aan 't slot van Kleef is?"

Reginald aarzelde. Zou zijn broeder het geheim bemerken, wanneer hij toegaf? Beter ware het onverschilligheid te huichelen.

„Waleram! heden ben ik te moede." „Moede — gij moede, Reginald? Als gij niet met me gaat, rijd ik alleen."

Sluiten