Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alixe zeide:

„Ge zijt ons welkom, hoe ge ook zijt". Waleram ging voort:

„Ik was verwonderd, dat mijn broeder mij niet wachtte, en verder reed, zonder zich om mij te bekommeren. Zeker heeft hij niet gezien, dat mijn paard struikelde."

Reginald hief 't hoofd op, en lachte schamper:

„Ik meende, dat hij weder zulk een slechte ruiter was, zooals ik het Alixe heb verhaald. Gewoonlijk laat ik hem ver achter mij, daar ik bedrevener dan hij ben."

Waleram liet de vuist op tafel zinken, en riep:

„Zoo Reginald mijn broeder niet ware, zou het zwaard tusschen ons beslissen."

„Vertelt gij het sprookje, dat gij machtiger zijt dan ik, Waleram? De wedstrijd moet nog gestreden worden, waarin gij overwint."

„Neen!" riep de graaf van Kleef, „zoo moogt gij beiden niet voortgaan. Het is niet goed, als broeders kampen. Beiden zijt ge dappere ridders, en dat moet u genoeg zijn."

Alixe was opgestaan. Haar stem klonk toornig, terwijl zij uitriep:

„Het is Reginald, die dit begon. Waleram moest antwoorden, daar hij uitgedaagd werd. Het is Reginald, die Waleram den roem niet gunt. Nooit heb ik van hèm gehoord, dat hij Reginald belasterde." Ze zette zich weder naast Waleram. Zij zwegen allen daarna. Hun gedachten sloten ze op. De broeders aten. Het duister van buiten legde een troebele schaduw door 't licht der zaal.

Alixe stond op, en liet de drie mannen tezamen. Aan den drempel wenschte ze hun een goeden nacht. Het was Waleram, dien ze daarbij aanzag.

Nadat zij alleen gelaten waren, duurde het zwijgen voort. Het scheen, of er, toen de nacht genaderd was, geen menschen meer waren, zóó stil bleven zij in hun zwijgen. Eindelijk — met moeite — zacht klonk zijn stem — was het de graaf van Kleef, die sprak.

Sluiten