Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de twee broeders zullen wedertezamen uitrijden, gelijk 'thun gewoonte was". Sommigen zeiden, dat hij als boeteling ter bedevaart was getrokken, en zeker is het, dat Waleram en Alixe op hun huwelijksdag niets wisten dan hun geluk, en zich niet om het loerende gevaar bekommerden.

In den nacht reden ze naar het slot van Valkenberg. Zij zetten hun paarden tot meerderen spoed aan, en heel hun geluk lag besloten in 't ééne verlangen: dat ze uit de verte de tinnen en torens mochten zien rijzen uit het duister van den maanlicht-nevel. Woorden kenden zij niet meer.

Stapvoets deden ze hun paarden over de brug rijden. Alles was stil. Tastend in den donker, vast-omsloten, naderden zij het slaapvertrek.

Toen ontviel zij zijn armen. Hij zocht in den diepen nacht naar haar, waar zij gevallen was.

„Alixe!" riep hij.

Hij hoorde haar stem, verre —

„Vaarwel Waleram! Uw broeder — Zijn dolk was scherp — Waleram vaarwel!"

Hij voelde, dat hij bij den keel werd gevat. Hij wilde zich verweren. Hij tuimelde over 't lichaam van Alixe,

achterover de linkerhand van zijn broeder omknelde

zijn keel... de rechter, met het mes gewapend, zocht en vond zijn hart. Even nog snikte hij

„Broeder! gij hebt ons vermoord. Wraak over u!"

Reginald rende heen. Bij den maanlichten weg was een kleine beek. Hij boog zich voorover, en waschte zijn bebloede handen.

O wonder! toen hij de handen ophief, zag hij, dat het bloed niet verdwenen was. Nogmaals neigde hij zich, en legde de handen neer in de wild-stroomende beek. Het water sloeg over zijn vingers, langs zijn vingers —

Hij trok nu weder zijn handen naar zich toe. Het bloed stroomde op den grond. Het bloed bleef op de huid, en geen enkel waterdropje mengde er zich door.

Dichtbij de plaats, waar hij stond, woonde een kluize-

Sluiten