Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waar wilt gij heen-gaan, ridder? Blijf bij mij." Hij zag naar zijn hand.

„Waarom zwijgt gij, ridder? Als ge me aanziet, hebt gij me lief."

Hij wendde zijn schuwen blik naar haar. Hij had het willen zweren, dat het Alixe was, die naast hem schreed. Hij bedwong zich met alle kracht.

„Ga heen, Alixe, of wie gij zijt. Mijn ziel moet rust vinden, mijn handen moeten van het bloed bevrijd worden.''

Als een nevel week ze.

Vele andere verzoekingen kwamen tot hem.

In een uur van wreeden honger, kwam hij een bakkerswinkel voorbij. Een milde geur vulde de straat. Hij gevoelde met schrik, dat hij alles voor één bete broods zou kunnen vergeten. Hij sloeg zijn handen aan den mond, en likte het bloed. Toen moest hij Noordwaarts trekken, en als een damp, die door zwaren wind wordt bewogen, vervloog de geur van het brood.

Voor den ingang van een bosch, wachtte hem eens een ridder. De punt van zijn zwaard was naar hem gericht, en hij riep met luide stem:

„Reginald van Valkenberg! ge zult moeten strijden, vóór ge hier binnentreedt."

Vertoornd over zulk een beleediging, wilde ook hij zijn wapen vatten, en met den vreemden ridder strijden. Op hetzelfde oogenblik, bedacht hij, dat het bloed van zijn broeder aan zijn hand kleefde, en hij peinsde in zichzelf:

„Beter is het te sterven dan te leven. Misschien is dit wel God's wil, dat hij mij dooden zal. Doch mij is bevolen, Noordwaarts te trekken."

Hij ging verder en zonder aarzelen liep hij den vreemden ridder tegemoet. Hij verwachtte, dat het zwaard hem door 't hart zou gaan. Dit gebeurde niet. Het paard en de dreigende ruiter aan den ingang van het bosch gleden weg als een klein wolkje aan de blauwe lucht — Geen hinderpaal bestond er voor hem.

Sluiten