Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRAMMERT EN ELLERT.

TUSSCHEN Schoonloo en Zweel bevindt zich een groot veld, daar staan geen huizen op, en wegen loopen er weinig door: hij, die er gaat, moet niet bang zijn voor de eenzaamheid.

Eens huisden er twee reuzen, Brammert en Ellertheetten ze. Brammert was zoo groot, dat hij de heele breedte der vlakte vulde, als hij terneer lag: dan rustte Ellert in de lengte, en zóó bemerkte één van beiden steeds of er iemand aankwam, dien zij konden berooven: öf Ellert wist het öf Brammert, doch één van de beiden altijd.

's Daags spanden zij touwen in het veld, en ze bonden er ongewijde klokken aan. Wanneernueenmenschnaderde, liep hij immer tegen een touw, de klokken begonnen te klinken en Brammert en Ellert snelden naar de richting, waar ze het geluid hadden gehoord; menigen schat hadden ze in den loop der tijden vergaard. Tevreden echter waren zij niet. Want ze roofden en moordden geenszins daarom. Ze roofden en moordden, wijl hun was geprofeteerd, dat eens iemand door het veld zou trekken met den sleutel tot het geluk bij zich. Dien sleutel wilden ze hebben, en ze waren teleurgesteld, wanneer ze een reiziger hadden gedood, bij wien ze slechts goud en zilver vonden Ze waren ook steeds naijverig op elkander, daar ieder hunner meende, dat de ander zich op slinksche wijze van den sleutel had meester gemaakt, en er niets over had gezegd. Ze bewaakten elkander, als twee honden, wien het te doen is om dezelfde prooi, ze waren eikaars schaduw, als twee gevangenen waren zij, door één keten gebonden.

Eens in een donkeren nacht had Brammert, de vader, die drie duim kleiner was dan Ellert, maar daarvoor in de plaats drie duim hersenen meer bezat, een ridder vermoord, en het duurde — daar Ellert niet dadelijk wakker was geworden—eenigen tijd voor ook de zoon het lijk ontdekte.

Ze hadden een beurs gevonden, zóó gevuld met goud, als een versche bron met water. Maar Ellert — met zijn

Sluiten