Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GIERIGE MULDER.

MEER dan zevenhonderd jaren geleden, ging de vrome Oliverus langs de Maas, en in ieder dorp, waar hij kwam, wachtte hij, tot allen zich om hem hadden verzameld. Zoo hij sprak, moest men wel naar hem luisteren, en hij zeide het lijden van Christus, gestorven aan het kruis, tot vele vrouwen weenden, omdat Hij zooveel geleden had; ook vertelde hij van de heiI lige moeder Maria, gebenedijd onder alle vrouwen, daar l Zij den Heere Jezus had gedragen onder 't hart. Maar in zijn stem was reeds een toornige klank, die wonderlijk werkte in der mannen geest en ziel; menige knaap tastte naar dolk of zwaard ; en de volwassenen gevoelden zich weder als jongelingen, die ten strijde zullen tijgen. Doch men wachtte nog op de woorden, welke achter den toorn van Oliverus waren verborgen, en dan zou men weten, hoe men den Heer kon wreken.

Toornig was de stem des predikers geweest, doch plotseling hield het schreien der vrouwen op, want zoo (Smartelijk werd de stem, dat niemand meer durfde te weenen uit ontzetting en ontzag voor zoo nameloos en onnoemelijk leed.

Wat — zoo vroeg Oliverus — was er van het land geworden, dat eens de voeten des Heeren en Zijner moeder, der maagd Maria, hadden betreden? Wee den Christenen ! het was in handen van heidenen en ongeloovigen, die spotten met de Heilige Drieéénheid. Moest het in de macht der Saracenen blijven?

Niet klinkt de stem eener moeder, sprekend over haar l doode kind, smartelijker dan de stem van Oliverus, den jjKeulschen scholaster.

Kon er een vrouw zijn, die niet bad, dat deze vloek de jammerende aarde zou verlaten?

Was er eenig man, die het zwaard niet reeds uit de ischeede had getrokken, om zich te wreken op hen, die iden Heere Jezus op deze wijze ten tweede male kruisigden ?

Sluiten