Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij schreeuwde hen na, tot ze zijn stem niet meer Jconaen hooren. Daarna keerde hij weder in zijn huis, zijn oogen toeknijpend van pret. Vóór hij insliep, moest hij telkens weder lachen, omdat hij zoo slim was geweest.

Het werd nu zomer, en de beek was zandig en roerloos. De raderen van den molen hadden geen voortgang in dezen tijd, en daarom was de mulder verwonderd, toen hij ontwaakte en den molen hoorde. Dat kon niet anders dan een droom zijn.

Voer de wind wellicht door de takken?

Neen het was de molen, en de raderen ratelden. Alles was in de weer. Het huis dreunde. De mulder werd boos Welke onverlaat dreef hem midden in den nacht zijn molen ? Hij riep den knecht, en het duurde niet lang, of deze stond voor hem.

„Rrrrrt", zeiden de steenen van den molen. Wat

maalden ze? .. , , »

„Ga zien", riep de mulder tot zijn knecht, „wat er in

den molen geschiedt."

Hij wachtte en luisterde. Hij hoorde 't water schuimen in de beek, als bruiste ze, door sneeuwstorm gedreven, van den berg in 't dal. Hij hield zijn hoofd m de handen verborgen, en luisterde. „,,,•• ai a~

Wanneer komt de knecht terug", dacht hij. Als de lmechtterugkomt,zalikweten,waarommijnmolendraait

Hij hoorde de voetstappen van den knecht dichterbij komen, zwaar en langzaam als die eens kettinggangers. De man bleef voor zijn heer staan, het hoofd gebogen. Wat is er met den molen?" vroeg de mulder heesch. De ander gaf geen antwoord: hij strekte slechts zijn armen uit. Ze luisterden thans beiden, mulder en knecht, naar 't geklapper en gestamp der raderen en 't sissen en schuimen der roerige beek. De een wist met en de ander wist. _ Uor

Ik zal — zelf — gaan zien — stamelde de mulder. Hij kleedde zich aan, en opende de deur van den molen.