Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wankelend trad hy binnen. Hij moest naderen, hij kon niet meer terug. - J

Een donkere man stond voor hem, die hem zwijgend wenkte. J

Toen zag hij, wat er in zijn molen gemalen werd

Guur gespuis was bezig, vijf Mark zilvers onder de steenen te vergruizelen. Vijf Mark zilvers, waarvoor de ryke mulder zich had vrijgekocht.

„Ik heb twee paarden bij me", zeide de duistere gedaante. „We gaan rijden, Godeslas."

De mulder staarde naar de geldstukken, die vermalen werden, en hy begreep, welke straf hij zou moeten lijden De zwarte man beval: „Doe uw buis uit."

Want op het buis van den mulder was een kruis geteekend en de zwarte man was hier angstig voor, daar t het jeeken is, dat hem verjaagt. Had Godeslas de kracht gevoeld, zich te verzetten! Hij deed, wat hem was gezegd, en toen hield hem de duistere gedaante reeds v£t Of hy een veder ware, werd hij op 't paard geworpen, en voort ging het! dieper en dieper den nacht in.

br werd in den molen niet meer gemalen. De stilte van den zomernacht was over 't veld. De kleine golfjes der beek murmelden zacht.

8*

Sluiten