Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het toe. Het dier minderde zijn vaart, het reed stapvoets, 't Geheele leger van ridderen, knapen en knechten reed stapvoets, 't Leek, of de rit van al de honderden helden geluidloos was, en ze zag zichzelven geluidloos gaan naast Reynout's ros. Terwijl zij glimlachend om haar geluk voortschreed — telkens zag ze op naar 't gelaat van haar ridder — schoot er plotseling een angst door haren vrede, en ze bemerkte ook, dat Reynout's voorhoofd gerimpeld was. 't Zou om dezelfde reden moeten zijn: ze was slechts in schamel kleed gehuld, en dit vergaf hij haar niet. Zij hoorde hem zeggen — zijn stem was toornig: „Waarom kwaamt ge me zóó armoedig tegemoet? Waarom hebt gij u voor mijn intocht niet getooid? Zelfs met de meest-eenvoudige bloemen des velds waart gij toch welkom geweest."

„Hoort dan!" zoo antwoordde zij treurig, „eenkindeke is ons geboren, en langen tijd heb ik krank gelegen. In de verte hoorde ik u komen, en ik ben opgestaan, zoo ziek en schamel als ik was. Wees daarom niet vertoornd."

De rimpelen in zijn voorhoofd bleven. Zijn oogen waren van haar afgewend. Haar hart klopte fel, daar zijn stem boos was.

„Ga heen, en hul u in ander gewaad. Keer dan bij me weder."

Ze besloot, om haar bruidskleed te halen. Terwijl zij zich verbeeldde, dat zij haastig naar het slot liep, schrok ze weder wakker. Haar moeder zat aan haar legerstede, en de werkelijkheid keerde terug.

„Moeder! als Reynout komt, wil ik me kleeden in mijn bruidsgewaad, in rood en in blauw, opdat hij mij vroolijk begroete."

Toen sloeg haar moeder de handen aan 't hart en luide weende ze.

„Draag geen rood en draag geen blauw, maar zwart alleen, mijn lieve kind."

Sluiten