Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Min kind, ic 't niet meer bergen kan, Dood en gesonken is din man "

Niet luiden de doodsklokken zóó dof, niet zingen de priesteren, die het lijk wegdragen zóó droeve, en alleen uit de stem reeds wist de jonge vrouw, wat er gebeurd was.

Ze vond, om haar smart te klagen, niets dan deze woorden:

„O! grond, rijt op, 'k wil in din schoot Bi Reynold wesen in der doot."

De steenen, die geen tranen hebben, en geen medelijden met menschenwee, hoorden haar bede, en ze fluisterden met elkander.

„Dit is een leed, dat wij niet kennen," spraken ze, „en als wij kunnen helpen, laten wij het doen!"

De rots, waarop het kasteel was gebouwd, vernam de nooit-gehoorde stem der steenen en ontwakend uit het eeuwige zwijgen, vroeg zij hen:

„Wat is er geschied, dat gij spreekt?"

„Wee — wee," antwoordden de steenen, „bij uw hart ligt Reynout van Valkenburg, voor eeuwig verzonken, en in het slot weent zijn gemalin, om bij hem te wezen in den dood. Open u, doe het kasteel vergaan, dat op u rust, en neem haar op, dat zij zich met Reynout vereenige."

Toen gevoelde de rots het goddelijk medelijden, en vol liefde opende zij zich, en deed het slot tot puin vallen. De jonge vrouw zonk in de klove tusschen den harden steen, en ze viel neder naast Reynout's lijk.

Uit de rots groeide een hooge eikeboom, machtig van stam, zwaar van tak, een breede schaduw vleiend over den weg.

Om den top vlogen twee vogelen, duif en doffer. Hun gemeenschappelijke vlucht zocht den hoogen hemel.

Ze waren de zielen gelijk van Reynout en zijn vrouw, die nu tezamen zijn in den eeuwigen dood, dat is in het eeuwige leven.

Sluiten