Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De fakkels brandden in den avond.

Eleonora ging naar buiten, en ze zag haar Herman, nederliggende op de baar. Ze zag bij den glans van het vuur, dat er bloed was aan de takken en twijgen en bladeren, welke den held als laatste rustbed dienden. Met al haar liefde kuste ze hem en indezenkusstierfhij, glimlachend.

Op een stille plaats werd zijn graf gedolven. Het lijk lag op het slotplein.

Demoordenaars kwamen tot den heer Zweder, en zeiden:

„Uw vijand is niet meer."

Toen trok hij-zelf met zijn heir naar den Wildenborch. De trompetten schalden.

„Geef over den Wildenborch! De rechtmatige heer is gekomen." ..

De brug viel terneder, en de heer Zweder deed zijn intocht. Hij kwam met geopend vizier, en hij zag den doode en de levende, die erbij stond. Hij zeide:

„We zullen dat lijk dezen avond begraven." Zij antwoordde met zachte stem:

„Het graf is reeds gedolven." Hij lachte, of hij zeggen wilde, dat dit des te beter was. Zoodra het duister werd, reed men uit, om den doode naar de groeve te voeren. Onder de boomen was het reeds nacht, en naar de zijde der boomen dreef Eleonora haar paard. De bladeren ruischten — was er nog een ander geluid?

Nadat men den heer Herman ter aarde had besteld, ging men naar den Wildenborch terug. Alom was het nacht, en men kon elkaar niet onderscheiden. Toen gleed Eleonora van haar paard en het trouwe dier liep door. Ze ging in een greppel liggen — en het duurde met lang, of alle klanken van den stoet, het stappen der paarden, het praten van ridders en knechten, waren vervloeid. Ze stond op, en liep naar Herman's graf.

Wat nam ze van den grond? Wat zand, en niets meer. Bleef ze nog langen tijd? Neen, ze vluchtte voor den boozen Zweder.

Sluiten