Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ Was ik maar in 't dorp gebleven", peinsde hij wijsgeerig, „daar had ik met Trientien een poossien kunnen vrijen."

„Waar zou ze wezen?" vroeg Hilbert.

„Dat komt er nou van, dat je mien mee wol hebben. D'r is op de stoel nog geen plaats voor een, en nou moeten wij er met ons beiden zitten."

Eensklaps zagen ze, dat op den weg twee gestalten stonden. Er was een afrimpeling van hun wezen in het duister, of bij hun beiden even de nacht ophield, en achter hen de nacht weder begon. Zóó ook ziet ge des avonds twee boomen aan het stille pad, het donker brekende, en toch op zichzelf niet lichter dan de lucht.

„Wie zouden 't wezen"? fluisterde Hilbert.

„Ik ken ze in 't Noorden niet, en als 't donker is, zijn alle katten grauw."

„Mij dunkt, dat 't Japikje is "

„Met een vrijer."

„Was maar wat vroeger gekomen, dan had jij haar eerder gezien."

„Stil! stil! ze hoort ons."

„Ze zijn daar menaer aan 't smokken."

„Mien dunkt dat ook."

Ze slopen weg, als twee vossen, die niet bij een kippenhok kunnen komen. Ze liepen met groote passen over het Ellertsveld, den genadenloozen lach van het minnend paar achter hen. Hilbert begreep, dat hij een vol jaar had te wachten, vóór en aleer hij naar het Noorden van het veld terug behoefde te keeren.

Gelijk de week voorbijgegaan was, zich rekkende als elastiek, net of er telkens nog weer een dag aan toegevoegd werd, zóó verliep dit jaar, week aan week, en terwijl 't verleden altijd kort scheen, werden heden en toekomsteindeloos lang. Er zat geen schot in Hilbert's werk, want als een magneetnaald wendde hij zich steeds naar 't Noorden, en tuurde, of Japikje tóch niet zou komen. Hij, die vroeger altijd een voorbeeld was geweest van

Sluiten