Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hilbert vertelde de gansche historie, en de deutels1) knikten allen met hun grijze kopkes, het hoofdmans-guurke1) vooraan, behalve dat ééne, booze aardmannetje weder, dat zich zoo gauw mogelijk ging verstoppen.

„Blijf vanmiddag bij ons", stelde 't oudste kabouterke voor, „dan heb je nog tijd genoeg, om bij het wicht te komen."

„Jawel", zei Hilbert, ,,'t is ook wel heel mooi bij jullie, maar ik moet me nog verkleeden, want ik heb mijn daagsche pak aan."

„Kom, kom — je zult er geen berouw van hebben."

Hilbert vond 't aardig goedje, en hij wou 't tot goed vriend houden. Want als hij met Japikje ging trouwen, zou hij toch allicht een eigen boerderij bouwen, en dan kon je eigenlijk niets dan nut van de kleuters hebben. Ongemerkt zouden ze heel wat werk voor hem kunnen verrichten. Ze konden alles, de kabouterkes. Niet alleen in smidswerk waren zij bedreven, doch bakken, boenen, strijken, wasschen, melken, slachten, ploegen, maaien, zaaien, timmeren, metselen, koken, beestenvoeren, al, wat in een boerengedoente te pas kwam, verrichtten zij.

Hij haalde de jeneverflesch voor den dag, en nog dichter kwamen de guurkes bij hem. Ze klommen bij tientallen op zijn knieën en keken begeerig naar den kostelijken drank.

„Da's klare jenever", zeide Hilbert, „en nou wil ik dat onder jullie allemaal verdeelen. Daar hoeft niets van over te blijven. Elk krijgt zijn deel, de een niet meer dan de ander, en nu opgepast!"

Hij reikte de flesch 't eërst aan den hoofdman, die, de zware vracht handig tillend, zoodat de kleine vingertjes ze niet konden laten vallen, ze hoog boven zijn hoofd hield, en behendig een vallenden druppel in zijn mond ving. De anderen keken nauwlettend toe — en ziet! ieder kreeg precies een druppel en niets meer.

Ze smakten met de lippen, en hun tongen zochten in

*) Beide namen voor kabouters.

Sluiten