Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ruiten, wat hij daar in 't schild voerde, 't Zag ....

't Zag, dat Hilbert zijn daagsche pak uittrok, en 't Zondagsche wilde aanschieten. Op dat oogenblik liep het haastig de gelagkamer in — door niemand bemerkt — en voor Hilbert begrijpen kon, wat er gebeurde, sprak het een spreuk, en jas, broek en vest vlogen de deur uit, of ze vleugelen hadden ....

Hilbert liep de vluchtelingen na, niet anders denkende, dan dat een rukwind ze had medegesleurd, en dat hij ze wel pakken zou, vóór hij vijf minuten verder was. Ze fladderden hooger dan hij-zelf, en hij had dus te springen, om ze te bereiken. Het was een storm, zooals hij er nog nooit een gekend had; alleen, waar de kleeren waren, woei de rukwind, en met zóó tergende behendigheid, dat jas, broek en vest, wanneer Hilbert's handen juist tot grijpen stonden, weder opvlogen, vlugge vogels gelijk.

Hij was eenigszins gerustgesteld, dat ze den kant gingen van Japikje's huis. Wanneer zij een andere richting hadden gekozen, ware hij zeker te laat gekomen. Nu was er nog kans, dat hij vóór twaalf uur bij Japikje zou zijn, en dan! het zou een vroolijke bruiloft worden.

Doch terwijl hij dit peinsde, schoot een andere, vreeselijke gedachte kriskras door zijn brein, en hieuw zijn hoop aan stukken. . _ ..

Hij kon toch niet zóó bij Japikje komen. Hy had zyn daagsche pak in de herberg gelaten, en zijn Zondagsche was aan den haal. Het mocht kosten, wat het wilde, hy zou en moest zijn beste kleeren terughebben. De woeste jacht begon.

't Kleine kaboutertje klom hem tegen de beenen op, en klemde zich met allebei zijn handjes vast. Anders zou het hem niet hebben kunnen bijhouden. 'tGing over gebaande en ongebaande wegen, over slooten, greppels, heggen, kuiten, en gelijk in een droom — maar t was de spottende werkelijkheid, helaas — liep Hilbert achter zijn kleeren aan. 't Vreemde van de zaak was, dat ze soms

Sluiten