Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij toe, de burgers van Stavoren. Zou er ooit aan hun rijkdom een einde komen?

Die lach voerde hen ten verderve. Want op de plaats, waar de tarwe gevallen was, drong zand op temidden der zee. Uit iedere korrel graan scheen een korrel zand te komen, en nieuw zand dreef weder aan tegen 't vastgezette. Vroeger was de haven van Stavoren open geweest voor ieder schip — nu bedwongen door den tyran was haar vrijheid geknot.

De armoede kwam in de trotsche stad, en menige burger dacht met weemoed aan de rijke tarwe, roekeloos in zee geworpen.

't Armoedigst van allen werd de vrouw, die de schuld in haar geweten had te dragen. Dat echter niet alleen was haar straf.

Op het zand — 't heette het Vrouwenzand — begon den volgenden zomer graan te groeien, 't Volk was ver heugd. Eén rijkdom was hun ontnomen, een nieuwe rijk dom ontstond weder. Men zou het deelen, wat er groeide en er behoefde dus geen zorg meer in Stavoren te zijn Nadat men erheen was gegaan, om te maaien, zag men, dat het koren was, hoog van halm.

Doch het had geen aren — en men noemde het „won derkoren." — Er was geen korrel voedsel in.

Het diende voor niets, dit graan. Het groeide hoog ei verging doelloos gelijk schijn en ijdelheid.

Sluiten