Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet een vage rimpel van den glimlach bleef op haar gelaat. Hoog richtte zij zich op.™

„Dus hebt ge niet gedaan, wat ik u heb gevraagd?" Hij hernam met doffe stem: „Ik kwam te laat."

Ze zag naar zijn harnas, met bloed bevlekt, en naar de punt van zijn zwaard, welk geen blankheid meer had. „Wien hebt ge gedood?" „Den priester." „Waarom?"

„Omdat hij de mis niet ten tweede male las."

„Ga heen, gij, die een priester hebt gedood. Ik zal vergeten, dat ge mij hebt liefgehad. Vloek over u."

Tegen haar kon hij niet driftig zijn. Haar kon hij rlechts smeeken, hem lief te hebben. Hij zeide in vertwijfeling:

„Niemand kan u zoo groote liefde geven als ik. Wanneer gij mij bevaalt, den priester ten tweede male te dooden, zou ik 't doen."

„Ge hebt niets meer van mij te hopen. Ik vloek het uur, dat ik u heb ontmoet."

„Verdoemd", fluisterde hij. Hij sprak geen enkel vaarwel, hij ijlde naar buiten, sprong weder te paard, en reed ditmaal naar zijn eigen kasteel.

Hij had geen berouw.

De priester had zijn bevel niet gehoorzaamd, daarom was hij gestorven. Wel gevoelde de ridder, als een band om zijn borst knellend, een vreemde onrust, of hij op de wereld niet thuis ware. Niemand had hem lief. Vijanden waren er aan alle zijden, en de grootste vijand was hijzelf. Wanneer hij dezen zou kunnen dooden

Thans zette hij zijn paard niet aan. Nu kon hij rustig bedenken.

Hij zou dus als eenzaam man in 't leven staan?

Er was nog een andere onrust in hem, een vrees, of er iets gebeurenging, dat hij niet kende. Neen, berouw had hij niet, doch een verlangen, om zich met zichzelven te verzoenen.

Sluiten