Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tikte, verzette hij zich met al zijn macht tegen de verlokking, en stil wachtte hij.

De knaap buiten gevoelde een hevige pijn. Om zich heen hoorde hij overal zacht gekerm, en' t was, als klaagden en riepen duizenden stemmen van dooden. Hij zag alles door den nacht, behalve de eene gestalte, en hij zag ook den man, door de gedaante geroepen, op zijn legerstede nederliggen. Ook hij klaagde van hevige pijn. De knaap hoorde, dat hij smeekte, om nog te blijven leven.

„Een enkel jaar!" zoo riep hij. „Laat mij nog een jaar van de wereld genieten."

Nadat hij dit had gesmeekt, schreed de gestalte verder, en de knaap volgde. Wat was het vonnis geweest? Het gekerm der dooden was opgehouden, en als de gedaante aan een venster klopte, volgde de geroepene.

Eindelijk kwamen ze allen bij het schip, en hun namen werden gefluisterd. De naam van den man was er niet bij. Ze stegen in het schip, en licht voer het over de zee, zonder dat de golven den romp raakten. Het was, als vlogen ze op de vleugelen van een vogel door de ijle lucht. Soms kwamen zij een ander schip tegen: dan zwenkte hun vaartuig niet, doch het ging recht-door, en weder kraakte geen hout.

De knaap vroeg den schipper — hij kende zijn stem niet weder — en hij meende, dat nooit meer een levend mensch ze zou kunnen hooren:

„Waarheen varen wij?"

Zacht antwoordde de schipper:

„Naar 't land van den nevel aan de overzijde der zee. Engelland noemen het de menschen. Daar zult gij in nevelen opgaan."

„Voor hoelang?"

„Weet gij wat zeven millioen jaren zijn? Weet gij wat zeven honderd millioen jaren zijn?" „En dan —?"

„Aan 't einde der eeuwigheid is het begin der nieuwe , eeuwigheid!"

Sapen en T.ecrenHen van Nederland. 11

Sluiten