Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Men noemt me Ann van Velp."

„Mooi-Ann van Velp zal ik je noemen. Mooi-Ann! wil je met me meegaan, en op mijn kasteel wonen?"

„t Past mij niet, om met u mee te gaan. Ben ik niet maar een arm meisje?"

De heer bij Biljoen richtte zich rechtop, en schuw bezag ze hem. Heeft niet ieder meisje hare gedachten over den man, dien ze zal liefhebben? Hij stond forsch voor haar, 't blonde haar golfde onder-uit zijn blauwe baret, zijn voorhoofd was hoog, zijn neus gekromd, zijn lippen rood. Reeds lang had zij, zonder het te weten, van zijn grijze oogen gedroomd, welke scherp waren, als zag hij in de verte een dier, dat hij dooden wilde. Hoe angstig en rustig moest het wezen, om aan zijn borst te liggen, door dien sterken, dikken bovenarm te worden omvat. Hij wist, dat hij haar bekoorde. Hij glimlachte. Door dien glimlach werd hij nog machtiger voor haar.

Er zijn er velen, die zich aan de beschrijving van haar schoonheid hebben gewaagd, en een spreekt van „biddend albast". Ze was misschien kleiner dan hij, al scheen ze met hem schouder aan schouder te staan. Heur blond haar droeg ze los, en het schoot bandeloos neer, in wijden boog langs den ronden arm tot aan de kloeke heup. Dit was haar grootste bekoring, dat haar gelaat kinderlijk was en haar wezen een meedoogenlooze lijn van schoonheid. Haar glimlach was vertrouwend — ach! waarom had ze den jonker bij Biljoen lief van het eerste oogenblik, dat ze hem ontmoette?

De dobbelsteenen worden geschud en geworpen — geen menschenhand heeft meer macht, om het getal der oogen te bepalen. Onzichtbare krachten werken aan hun wending, hun val, hun even-kantelen, hun liggen. Tel de punten. Drie zessen of drie eenen — ge hebt het te wachten.

„Wat doe je dan den heelen dag, mooi-Ann?M „Ik werk voor mijn moeder."

Sluiten