Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koeien. Een donkere laan lag voor haar. Ze was bang, om erin te gaan, zóó alleen.

„Je hoeft me nooit meer te wachten", zeide hij norsch.

O! de eerste schrede in de donkere laan. Er was niets van haar hoop gebleven. Haar eenvoudige ziel wist, dat er een ander meisje voor haar in de plaats was gekomen, en, haar schort stijf tegen de oogen geperst, overdacht ze gauw, wie 't wezen kon. Martha was 't niet en Mina niet en Aaltje niet en Geusje niet en Fine niet en Sine niet. Wie kon 't wezen? Ze gluurde over den boezelaar.

„Wie is 't?" vroeg ze.

Hij staarde haar verwonderd aan.

„Wat meen je?"

De oogen kwamen nu geheel boven de schort uit. „Met wie heb je nou verkeering?" Hij schaterde van het lachen. „Met mooi-Ann."

Ze liet den boezelaar van pure bevreemding vallen. Haar oogen werden zoo groot, of er tusschen jukbeen en wenkbrauw geen plaats meer voor ze was. Thans keerde de hoop terug. Hij hield haar voor den mal, de dwaze jongen! De boerderij bestond weder. Ze zag zichzelve met de melkemmers naar de weide gaan. Hij deed niets dan lachen.

„Wat ben je d'r eentje", zeide ze.

„Kom vanavond bij den vijver en je zult het zien."

Hij liep zijn huis binnen. Ze bleef nog even wachten. Aarzelend ging ze heen.

Aldus heeft een menschenziel aanschouwd, wat er met hemdien avond geschiedde. Ze stond in' t bosch, en zag haar jongen, die haar voorbijliep, zonder op haar te letten. Uit den vijver steeg een nevel, die naar den man toeschreed, met licht-glijdende passen. Het meisje stiet een kreet uit, maar haar verloofde hoorde 't niet. Hij en de nevel naderden elkander.

Ja, het was mooi-Ann. Hoe had ze kunnen gelooven, dat 't een nevel was?

Sluiten