Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn gang van het Zuiden naar het Westen geschiedt al even kreupel, doch als het ten leste besluit, de aarde maar weder te verlaten, danbezinthet zich plotseling, en doet, of het ik weet niet hoe aangenaam bij ons is. Weggaan?! Geen sprake van. Het denkt er niet aan. Het blijft op de banken van den horizon rusten, strekt zich daar welbehagelijk uit in zijn volle lengte, en werpt een laatsten, zéérlangen, weemoedigen blik naar de tintelende vlakte. Hetheeftruimspel, want de avond weigert ondertusschen op zijn beurt te komen. Vóór er een ster aan de lucht is, schijnt er geen tijd meer te bestaan. Zon en maan willen niet komen, en niet verdwijnen, en ze gelijken in dit opzicht op het slag menschen, dat veel bezwaren maakt, om u te bezoeken, doch dat, als het eenmaal een visite maakt, niet weg is te krijgen.

Drikus en Hannes, zij beidden ongeduldig, en ook voor hen werd het ongeduld beloond: immers, de eeuwigheid lokt het heden in haar afgrond, en alle tijd valt hierin geruischloos terneder. De Dinsdag kwam, en de twee kornuiten begaven zich tezaam op weg, de lippen vast op-één geklemd, om zich in het zwijgen te oefenen. Ze droegen fonkelende spaden op den rug, en ze voelden zich gelukkig als menschen, die in de toekomst hun vertrouwen stellen.

Ze vonden alras het berkenrijsje, en Drikus trok het uit den grond.

Vroom begonnen ze te delven in de gewillige aarde. „Zeven, zeven, zeven voeten", zong het in Drikus' ziel. Hij was er zeker van, dat hij de schat zou bereiken, en eensklaps hoorden zij, dat de schoppen stieten tegen een kist. Hannes sprong van vreugde in de hoogte.

„Drikus! daar zit de heks", schreeuwde hij.

Klingeleklingekling! de geldstukken hadden haast, om weg te komen, diep, diep, dieper in den grond, al maar zinkende, zóó ver weg ten laatste, dat 't gerinkel niet meer te hooren was.

En daarom spookt de juffrouw zonder kop nog altijd bij Echt; er is geen mogelijkheid, dat ze ooit verlost zal worden.

Sluiten