Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

witte wive, haar klauwen uitgespreid, den mond wijdgeopend en onmiddellijk was ze achter den ruiter. De stormwind stak op en sloeg het graan naar beneden; de takken der boomen kraakten.

De witte wive was zóó dicht bij Herbert, dat hij haar adem gevoelde. O! als haar scherpe klauwen hem grepen.

Hij zette 't paard tot meerder drift aan.

„Hahaha", gierde de witte wive, „Herbert — je kunt me niet ontkomen. Voor 't huis van den Scholte zullen mijn klauwen je hebben. Ik zal me wreken, zooals ik me nog nooit op een menschenziel gewroken heb. Sta maar stil met je paard — dat is te oud voor zulk een wedloop. Albrecht, die een vurig ros heeft gekocht, heeft het zelfs niet gewaagd met mij te wedijveren. Halverwege is hij omgekeerd."

Als de witte wive geloofde, dat zij hem met deze woorden zou tegenhouden, vergiste zij zich. Neen, integendeel... dat Herbert hoorde, hoe Albrecht had gefaald, gaf hem reeds de macht van den overwinnaar. Was zijn paard oud? In den meester was moed, in het dier angst. Vooruit . . .

Hij voelde al even haar klauwen langs den nek — schrammend — toen hij 't erf van Lodink's hoeve op-reed. Een hard voorwerp suisde hem na. De witte wive holde naar den kuil terug.

„Hoezee!" riep de Scholte. Moeder Christine zeide niets — haar voorhoofd bestond alleen maar uit rimpels. Johanna viel den kranigen ruiter om den hals.

„En 't zal over een paar dagen bruiloft zijn", schreeuwde de gelukkige vader, „en ik zal een horlepiep dansen, zooals alleen een soldaat het kan."

„Heeft ze je niet geraakt?" vroeg Johanna bezorgd.

„Een lichte schram — en dan — heeft ze me nog wat nagegooid."

„Nagegooid?" zeide Scholte. „Laat eens kijken." Ze gingen naar 't erf — Herbert lachte.

Sluiten