Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich overhalen, om weder tegen Beatrijs te getuigen, dat zij jonge honden ter wereld kon brengen, en dat zij den koning, den edelen Oriant, en zijne moeder, de goede Matabrune, had willen vergiftigen. En dit zeide Macharis onder den invloed van Matabrune:

„Ik verklaar te willen kampen tegen ieder, die het opneemt voor Beatrijs."

De koning beval, dat men Beatrijs uit de gevangenis voor hem zou brengen, opdat zij zich tegen de beschuldiging zou kunnen verweren. Ze trad voor den vorst, groette hem met teederen groet, en viel op haar knieën voor hem neder. Matabrune bemerkte, dat zij allen, de koning, de edele Oriant niet 't minst, medelijden hadden met de schoone koninginne Beatrijs, en ze riep haastig Macharis, opdat deze zijn aanklacht zou zeggen, hetgeen hij deed. Oriant, de koning, zeide toen tot Beatrijs:

„Ge wordt van een groot misdrijf beschuldigd, vrouwe, en ik zeg u, dat ge de waarheid zult belijden. Weet, als gij geen leugen uitspreekt, dat ge niet zult sterven, doch als gij de onwaarheid verkiest, zal een schandelijke dood u wachten, tenzij iemand uw recht verdedigt. Spreek de waarheid, Beatrijs."

De koninginne, de schoone Beatrijs, verhief zich, en zag hem in de oogen.

„Heer! ik weet, dat er niemand wordt gevonden, die mij gelooft, en die mij recht zal verschaffen; en toch — ik zweer u allen, dat ik onschuldig ben. Bij God zoo betuig ik, dat ik nimmer het schandelijk kwaad heb bedreven.'' Zij vouwde haar handen. „Gode alleen zij de wrake over mijne vijanden, die mij zoo valschelijk betichten."

God in den Hemel hoorde hare spreuk, en hij zond een Zijner engelen naar den kluizenaar, om hem te zeggen, dat de zeven kinderen waren van koning Oriant en van koningin Beatrijs, dat er zes hunner in zwanen waren veranderd, en dat de edele jongeling Helias den valschen ridder Macharis moest bevechten.

Sluiten