Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eustachius. Eens op eenen Pinksterdag — er waren vele groote heeren in Bouillon — ging de edele vrouw, IJda, ter kerke, en lang bleef ze weg. Daarom schreide het kindje Eustachius van honger, zoodat eene andere vrouw het uit medelijden voedde. De edele IJda kwam in haar paleis, en zag, wat er geschiedde.

„Ach, vrouw", riep ze, „wat hebt gij gedaan. Nu zal mijn kind, Eustachius, zijne waardigheid verliezen."

De vrouw antwoordde met deze woorden:

„Ik heb het gedaan uit medelijden, daar 't kindje, Eustachius, honger had."

De hooge vrouwe, IJda, bleef treurig den ganschen dag, niet groetende de heeren, die om haar waren verzameld.

Zij wist thans, wat leed was, de edele IJda. Want het leed wordt aan niemand gespaard, noch den edele, noch den gemeene.

En ook kende het leed Clarisse, de machtige hertogin.

Vele malen had zij reeds boden uitgezonden, om te weten, waar Helias was heengegaan, en eerst langen tijd na 't zenden van den eersten bode kreeg ze tijding, waar haar gemaal vertoefde. Eens zond ze een harer dienaren, Pontius genaamd, naar Rome, en op zijnen terugweg kwam deze een kerk binnen, waar hij eenen geestelijke vond uit zfijn land. Ze besloten tezamen naar huis te reizen, doch Gods wil was anders dan de hunne, en zij verdwaalden in de wildernis. Ze trokken verder en verder, en kwamen ten laatste aan een kasteel, precies gelijkende op het kasteel van Bouillon.

„Ziet", zeide Pontius, „we zijn in ons land. Dit is het kasteel van Bouillon."

De geestelijke antwoordde met deze woorden:

„Mij dunkt — we zijn er nog verre van."

„Dan —" zoo riep Pontius uit, „gelijkt dit slot er precies op."

Ze vroegen toen in het dorp, in welk land ze waren, en ze hoorden, dat Helias dit kasteel had gesticht, en den