Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHELPENGROT OP NIENOORT.

EENS was de schelpengrot op Nienoort een rijke schatkamer, waarin veel goud en zilver was ver* borgen; vaten waren er vol diamanten en paarlen, in gouden bekers waren topazen, opalen, robijnen, smaragden, in velerlei vorm en kleur dooreen: er lagen braceletten, als schitterende, kronkelende spiralen, en vijf en veertig halssnoeren, allen even fraai bewerkt. Het wac een wereld van flonkering en flikkering, een trilling en golving van gloed. Rood en blauw en groen en krijtwit beefden zenuwachtig tegen elkander, en in al deze duizenderlei speling was slechts één motief: het licht.

Er zijn er niet velen, die de schatkamer van Nienoort hebben gezien, meest mannen en bijna geen vrouwen. Want de vrouwenoogen zagen niet de kleinodiën alléén, doch ze zagen tevens, hoe haar de kleinodiën kleeden zouden, en hoe ze om de teere, witte huid zouden schitteren.

Ér woonde bij Nienoort een vrouw, die eens binnen de schatkamer een blik had geworpen, en nu nacht aan dag niets anders dacht dan:

„De schatkamer van Nienoort." Ze had een armen, jongen man lief, en ze bepeinsde, door altijd te denken aan den rijkdom, die er in de kamer schitterde, dat zij zich van enkele halskettingen zou meester maken en ermede zoude vluchten. Dan zou ze geld genoeg hebben, om met den jongen man te trouwen, en één halsketting kon zij voor haarzelf behouden. Dit alles wist zij, zonder er zich rekenschap van te geven, zooals ook in de woorden:

„De schatkamer van Nienoort" welke eeuwig naar haar geest terugdreven, besloten was, dat ze al het nuttelooze van haar hoop wel inzag. Want telkens, wanneer ze de schatkamer voorbijging, scheen de zware, ijzeren deur een bespotting harer begeerte en moedeloos was voortdurend weder haar tred bij het ver der-gaan.