Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze trad naar buiten, en ze zag 't zonlicht. Er speelden kinderen op de heide. Een kleine bok was aan een touw gebonden, en trachtte al met de horens te stooten. Was ze ooit weg geweest? En toch.... geen der kinderen kende ze. Ze keek naar haar werk terug—Ach! ze kon niet bevroeden, dat het meer dan zestig jaar had geduurd. Een wonder was de schelpengrot van Nienoort, die haar jeugd had gevreten.

Ze was vrij, vrij! O! het alom-tegenwoordige, duizelingwekkende, verblindende, verdoovende, zegenrijke zonnelicht. De gansche wereld stroomde van geuren, er was geen grooter geluk dan te mogen leven! Nu wilde ze naar den man gaan, die ze liefhad. Het was vreemd, dat ze den weg niet weer kende. Alle huizen schenen veranderd te zijn; de paadjes gingen niet hun gewone lijn. Wat was er toch geschied in de enkele jaren, dat ze had gewerkt, overpeinsde ze.

Een jonge vrouw trad haar tegemoet, en 't leek haar, of ze haar kende. Was 't niet het meisje, met wie ze in haar jeugd had gespeeld? Ze begon te lachen. Wat was het groot geworden. Zou het zich nog herinneren, dat het haar eens had opgesloten? Ze noemde het bij den naam. De jonge vrouw stond stil.

„Dat ben ik niet, al ken ik haar heel goed, die u noemt.''

„Wie ben je dan?"

,,Ik ben haar kleindochter?"

„Ben je haar kleindochter?"

Toen ging de oude vrouw naar 't meer, en ze spiegelde haar gezicht in 't water.

Ze sloeg de handen aan het voorhoofd — 't Leven was haar voorbij-gegaan, en ze had er niets meer van te verwachten. Ze ging naar de grot. Haar werk was gereed, en 't schitterde haar tegemoet, angstwekkend als diamanten.

Op den drempel van den grot zeeg ze neer, en in den nacht naderde de dood haar hart. Zonder een klacht is ze gestorven. De wachters vonden haar den volgenden morgen, en inderhaast werd ze begraven.