Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN EENEN RIDDER.

ER was eens een ridder, die woonde aan den heirweg, in een grootkasteel. Allen, die zijn slot voorbij reden, beroofde hij en deed hij lijden, zonder barmhartigheid, maar alle dagen groette hij Maria, de moeder Gods, met een oratie, die begint aldus: „O! intemerata et in eternum."

Het was iederen dag, dat hij deze oratie zeide, om te loven Maria, de moeder Gods. „O! intemerata et in eternum,"

Eens reed een heilig man het kasteel voorbij. De knechten kwamen, om hem te berooven.

De heilige man wendde zijn gelaat tot hengen smeekte:

,,Och! breng mij bij uwen heer — want ik heb iets met hem te bespreken, dat hij nog niet weet."

De knechten beraadslaagden onder elkander, en driftige woorden spraken zij wederzijdsch, het eene deel schreeuwend, dat zij den gevangene zouden dooden, het andere, dat zij hem zouden voeren tot den ridder, hunnen heer. Ten slotte werden zij, die den moord eischten, angstig, want wat zou de ridder zeggen, als zij den heiligen man niet alle dingen deden belijden, welke hij wist? Ze dreven hem voor hun heer, en die vroeg, wat de heilige man verlangde.

„Doet allen, die in dit huis wonen, tezamen komen, want ik wil u iets verkonden, dat u tot heil zal zijn."

De ridder peinsde, langen tijd. Hij strekte eindelijk zijne handen uit, en beval, dat zij allen zouden komen, oud en jong, voornaam en arm, ze zouden allen komen, vrouw en maagd en man en jongeling, ze zouden allen komen, de minstreel, die juist op het kasteel was, en de zwijnenhoeder, ze zouden allen komen, onmiddellijk, zooals zij gekleed waren, midden-uit hun doening.

Ze kwamen, en ze stelden zich om den ridder en den heiligen man.

De monnik zag hen aan, één voor één, als wilde hij

Sluiten