Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

donkere steê, als 't zonlicht schijnt. Ja, het bosch lokte den koning snel reed hij vóór de anderen, en hij speurde overal naar 't hert. Hij riep IJwein, en men ontkoppelde de honden, alle ridderen bliezen den horen. Toen sprong 't hert op, en vlood langs de rivier, de honden basten, de jagers schoten metbun pijlen, maar 't hert ontvluchtte door het diepe water, en verborg zich in het hooge gras. Ze volgden het weder, blaffende brakken, rijdende ridders, doch 't dier, dat zij joegen, ontvlood. Toen zwoer de koning, dat hij door bosch en haag, dag en nacht, wilde rijden, om het hert te dooden, en hij beloofde een gouden beker aan hem, die het vangen zou.

Hoog zat Perchevael te paard, en volgde 't hert met zijn hond, langs berg en dal, maar 't wist hem te ontwijken. Moede werd Perchevael's brak, en de ridder sprak hem met troostende woorden toe. De hond werd krachtig door zijn stem, sprong op, en sloeg 't hert de tanden in 't vleesch. Hert en hond vlogen tezamen voort, als één dier. De ridder volgde onvermoeid.

Niet af te schudden was de brak, als de Dood zelve was hij voor 't hert, dat trotsch dook in de diepe rivier, zijn noodlot tegemoet, 't Water sloeg het met felle golven in de keel, en het dier verdronk. De hond trok hem, toen het bovendreef, aan land.

De koning kende Perchevael's horen, die luid over 'tland klonk. Hij zette zijn paard aan, roepende:

,,'t Hert is gevangen, ik hoor 't wel, wij willen Perchevael helpen, die het witte hert gedood heeft, de moedige held.

Zij reden tot waar de ridder stond, en Arthur groette hem als een vriend, terwijl hij hem den beker deed reiken. De ridderen aten en dronken, het was nacht, doch de maan scheen klaar en schoon. Zij rustten dezen nacht op die plaats, en vroeg maakte men zich den volgenden dag weder op. Een edelknaap legde het witte, doode hert over een paard. Men wachtte niet lang, om naar Cardoel, 's konings stad, terug te rijden. Al rijdende kwamen ze