Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een versterkte plaats voorbij, waar een boer woonde, die Somilet heette. Drie zonen had hij, die hij liet werken en zwoegen op het veld: twee dreven het vee, de derde ging achter den ploeg en was schamel gekleed. Toch was de boer rijk, en zijn vrouw van edelen bloede. Ferguut heette de jongen, die den ploeg dreef, en hij zag den koning met zijn ridderen rijden. O! de arme Ferguut. Hij was gewoon aan het moeilijke werk, en niet geleek hij de zoon van een rijk man. Toen de ridderen langs den akker kwamen, kwam al het leed en heimwee, dat hij zijn leven lang had gekend, in zijn hart, en angstig zag hij naar den edelen vorst, die hem voorbijreed, met alle zijn heeren. Toch wist hij niet, wie het waren, en hij vroeg het daarom een edelknaap, den laatsten van den stoet.

„Zeg me — wie de heeren zijn — die ik daar zie."

„Het zijn de koning en de ridderen van de tafelronde}', antwoordde de knaap, „het zijn de heeren van 's konings raad."

Droomerig zeide Ferguut, de arme jongen achter den ploeg:

„Ik zal gaan naar 's konings hof, om te wezen van zijn gevolg, en van zijn raad. De boozen zal ik van hem verjagen."

Weg reed de dienaar. Ferguut echter spande de paarden van den ploeg, en liep snel naar zijn's vader's huis. Zonder te groeten wierp hij Somilet, den boer, het ploegijzer voor de voeten.

Zijn vader zag hem aan, en vroeg verwonderd:

„Waarom hebt gij uw werk verlaten?"

„Heer" — zoo zeide Ferguut, „ge spot met mij. Geeft mij wapens, laat mij ten hove gaan."

De boer greep een stok, en wilde hem slaan, maar de moeder hield zijn arm tegen, hem smeekende:

„Lieve heer — och! och! gij doet kwaad, dat gij uw zoon wilt slaan."

Toornig schreeuwde Somilet zijn zoon toe:

„Jij wilt zijn een vriend van ridderen? Ga heen en pas

Sluiten