Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het vee, dat uw zorg behoeft. Wilt ge niet achter den ploeg? Ik weet wel werk voor u. Strooi mest op het land."

„Heer —" zoo hernam de vrouw, „verwonder u niet, dat uw zoon begeerte heeft naar wapenen; in mijn geslacht zijn vele ridderen, en mij dunkt, dat gij goed doet, om hem ten hove te laten rijden. Zijn twee broeders blijven hier, hij is de oudste, geef hem wapenen . . . ."

Zacht zeide ze, doch de boer verstond het wel:

„Hij kon wel eens komen tot roem en macht, want hij is een schoon en sterk man."

Nog even praatten ze zoo tezamen, in eensgezindheid; daarna riep Somilet een jongen, opdat hij hem het harnas zou brengen, dat vele jaren ongebruikt was en bloedrood van roest, doch sterker en beter dan menige smid kon smeden; de helm was van fijn staal. Daarbij wierp Somilet een witte broek, die de knaap aandeed. Was het Ferguut, ' de arme boerenjongen, dapper en koen te paard gezeten, gewapend met schild en speer, met spiets en bijl? De arme Ferguut! Hij kende de wereld nog niet, met allen strijd, want achter den ploeg was hij gegaan, zijn leven lang.

Zijn moeder schreide. Hij echter trok vroolijk van zijn huis, het duistere leven tegemoet; op den eersten weg, dien hij ging, verdwaalde hij. Hij kwam in een donker bosch, en het waren roovers, die hij 'teerst zag. Ze wilden hebben zijn paard, zijn wapenen, en dan nog zijn leven. Onbeschroomd trad hij ze tegen, en hij vroeg hen, met zijn jonge stem, vol vertrouwen:

„Lieve heeren — zeg mij — hoe kom ik het beste naar Cardoel, wijs mij den weg. Ik wil den koning dienen, em hem raden, wat hij doen moet."

Één der roovers lachte en zeide ten antwoord:

„In duivels naam moet dat zijn! Uw vader en grootvader waren 't niet gewoon, Ferguut, om den koning te I dienen. Zij kloofden hout, zij voerden den ploeg, ze laadden mest. 't Ware beter geweest, dat ge bij uw ploeg waart gebleven. Nu zal ik u doodslaan."