Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was de eerste strijd van Ferguut, en hy streed dezlLeerdapperhjk^

De koppen sloeg hij af en hing ze aan zyn zadel. Zoo reed hii naar Cardoel, 's konings hof. ;

aT Ferguut Daar waren vele spotters in Cardoel. Ze lachten Ten de knaap binnenreed, maar de koning was vriendely-k voor hem, en zeide hoofsch en ernstig:

Vr end'ielkom zijt gij hier. In welk land zijt gy ge^ bo^ waar wilt gijheen?Zegmij,watermetuisgeschied

en noem mij uwen naam.

Heer —" sprak vroom de knaap — hy had niet op het gelach der spotters gelet - „ik heet Ferguut, en om uweS aanvaardde ik den tocht, al waren myn vader en moeder boos, dat ik u zoo verre volgde. Ik wil u met

dan een snjdend zwaard. Hij bezag den armen jongen, crrinrlde 't hoofd en smaalde:

afziet er wel naar uit, of ge den koning met uwen rai kunt dienen. Niemand wilde ons tot dusver immers

raden? 'tls goed, ^gfP^^^^^^l ven- „dien God wil helpen, heeft geen gebrek. Wanneer

God ü 't leven laat, zult gij ons goeden raad geven. Even zweeg mijnheer Keye. Daarna stelde hy zich

di%ro^e"d van wapenen zijt gij, Ferguut. Hoe schoon staat u de helm, ik denk, dat gij een k«ng^ ziit Nooit zag ik een vorst, die beter de spiets hield, hetschMdro'eg. Gij ^f^^^^LS ■ zwarte rots, in het woud? Luister - Om den hals eener leeuwin hangt daar een sluier en een horen, die door een zwarTen ridder worden bewaakt. Begeef u morgenvroeg op weg, om met den zwarten ridder te strijden en om den Een den horen te halen. Breng ons den ridder die zoo menigeen kwaad heeft gedaan, dan zult gij tot grooten roem komen, en in ieder hof zult ge worden ontvangen.

Sluiten