Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rustig stond Ferguut, en hij had zijn woorden klaar, waarmede hij zich tegen Keye verdedigde.

„Het is waar —" zoo antwoordde hij, „de mond spreekt, wat in 't hart is. Gij hebt nijd in uw hart."

Toen durfde Keye niet veel meer te zeggen, want hij vreesde Gawein, die den moedigen jongeling wilde beschermen. Deze echter ging toornig voort:

„Ware de koning niet hier, uw leven ware ermede gemoeid. Ik zou de scherts wel hebben gewroken."

De koning wendde zich tot hem, en zeide ernstig:

„Vriend, dat zou niet goed van u wezen. Sluit vrede met heer Keye."

Nog ontsloot Ferguut zijne vuisten niet. Daarom wilde Arthur zijn gedachten wenden van den smaad, die hem was aangedaan.

„Waar naamt gij de hoofden, die aan uw zadel zijn?"

Forsch antwoordde de jongeling:

„Heer! van roovers, die mijn paard wilden stelen. Ik streed met vier hunner, en zij waren onmachtig tegen mij. Wilt gij mij nü behouden als uw raadsman?" Hij zag Keye aan. „Morgen wil ik rijden, en den sluieren denhorenhalen.''

„Vriend", zeide de koning met milde stem, „ge waart verloren, zoo gij dit deed, en de eerste waart ge niet. Geen man kon tegen den zwarten ridder strijden. Niet wil ik u aannemen, knaap, op zulk een daad."

Weder zag Ferguut den heer Keye aan, maar hij sprak tot den koning.

„Heer —", zeide hij met vaste stem, „uw ridder spot met mij. Daarom wil ik strijden, al zal het mij den dood kosten." Hij boog het jonge hoofd.

Ferguut wilde nachtverblijf zoeken in de stad, o de arme jongen! Wreed was de wereld, niemand sprak er tegen hem, niemand zeide:

„Kom bij mij. Bij mij vindt gij hedennacht rust."

Stil reed hij, hoog-geheven de speer. Het begon te regenen, het water stroomde uit de donkere lucht, en nat

Sluiten