Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Schooner? Wat heb ik gezegd — Geen schooner jongeling vind ik —"

„Wist hij — wist hij — Hij zat bij mij — en zeide geen woord tot mij — Had hij niet met mij gesproken, als hij me minde?"

Zachtkens fluisterde de liefde haar in de ooren, dat ze hem alles zou zeggen. Toen kon ze geen weerstand meer bieden aan de lokkende stemmen in haar hart, en in den duisteren nacht beleed ze hem luide, wat zij leed.

„Niemand troost mij", zeide zij tot hem, „en ik gevoel pijn om uwentwil. Mijn hart heb ik verloren — geef mij mijn hart, Ferguut."

„Jonkvrouw — antwoordde de domme ridder — wat wist hij nog van leed? — „ik zag uw hart niet. Had ik uw hart, ik gaf 't niet. Ik zag 't niet... Ga van mij heen."

„Ach, heer ridder, wel hebt gij mijn hart, gij doet mij pijn. Mijn hart is ten uwen dienst, luid en stil, ik behoor u toe. Geen geluk is er voor mij zonder u. Gij hebt mijn leven en mijn dood."

Toen begon Ferguut te lachen. Meende de jonkvrouw, dat hij zich door haar zou laten tegenhouden?

„Niet om deze dingen ben ik uitgegaan", sprak hij, „maar om te strijden. Daarna zal ik tot u wederkeeren, jonkvrouw, maar gij moet mij uitstel geven. Voorwaar! er is zelfs geen keizerin, die ik zou vergunnen, om mij te minnen, vóór ik den ridder bij de zwarte rots heb overwonnen."

Nadat de jonkvrouw dit had gehoord, ging ze naar haar kamer, zich schamende, dat zij den jongeling haar liefde had beleden. Zij bleef wakker, en weder vingen alle stemmen in haar te spreken aan. Toen besloot ze, om in den morgen, aleer iemand was ontwaakt, het kasteel te verlaten. Zóó ging zij heen, voor Ferguut te paard was gestegen. Hij vroeg niet, waar zij was. Hij liet zich den weg wijzen naar de zwarte rots.

„Komt gij na uw strijd tot ons terug?" zoo vroeg hem zijn gastheer.

Sluiten