Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elkaar te beantwoorden. Had Ferguut slechts geluisterd naar de schoone jonkvrouw Galiëne, die hem haar minne beleed, doch hij verkoos avontuur en strijd om Keye's hoon. Hij wist niet, waar Galiëne was, zoo hij 't geweten had, hij ware haar gevolgd.

Het duurde langen tijd, voor de oude ridder bemerkte, dat Ferguut droeve was. Hij schrok.

„Waarom lijdt gij, heer?"

„Ikheb verworpen, wat in mijn hand lag , kreet Ferguut, „wee mij! dat ik gaan moest naast hen, die de liefde kennen, en dat ik daarom schreien moet. Heel mijn leven dien ik haar te zoeken — dag en nacht — tot ik haar vind. Kwam er een ridder, om mij 't harte uit te rijten —kwam er een ridder, die mij dooden zou, om mij van mijn smart te bevrijden." jffl

De goede man greep hem vast.

„Het dunkt mij, dat het oneer voor u is, om uw smart te toonen. Het is niet ridderlijk, om een vrouw te treuren. Ridder! ga met mij — ik zal u geven, wat gij behoeft — spijzen — en rust."

„Nimmer meer wil ik wonen onder een dak, noch m dorpen, noch in steden, noch onder eenige poort, tot ik weet, waar uw nicht is. Houd mij niet tegen, zoo smeek ik u. Allen, die tot aan de Donau1) wonen, kunnen mij niet beletten te gaan."

De oude ridder deed geen moeite meer, om den jongen man tegen te houden. Milde berusting was er in

zijn gebaar. u „Vriend —", zeide hij, „God moge u beschermen. Het

doet mij leed, dat gij niet wilt blijven."

Ferguut antwoordde hem niet. Hij reed heen, het schild

aan zijn hals, de speer in de hand. Alomme was het

nacht, doch in het duister was een nevelende sluier van

maanlicht.

x) Toter Dunouwen.