Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk III. Ferguut zoekt Galiëne.

Niet lang had hij gereden, of hij zag een tent, opgeslagen in een bosch. Voor den ingang stond een dwerg, niet grooter dan vier voet, hij hield er de wacht. Zijn neusgaten waren wijd en plat, de lippen zwart, de tanden wit, de mond was gespleten tot aan de ooren. Diepe rimpels lagen er om zijn pikzwart lijf, een bult had hij op rug en borst.

Toen de ridder naderbij kwam, hief hij den stok, en sloeg fel 't paard. Ferguut gaf het de sporen, dat het hoog-op steigerde en den dwerg omver reed. Luid kreet de dienaar en de ridder binnen in de tent ontwaakte. Hij schreeuwde:

„Wie is de man, die, terwijl ik sliep, mijn knecht sloeg?"

Hij was aldra ten bedde uit. Zonder wapenen trad hij naar buiten. Daar hij zag, dat zijn dienaar lang-uit op den grond gestrekt lag, werd hij toornig.

„Ware ik gewapend", zoo riep hij, „ik zou den dwerg wel weten te wreken.,"

„Hebt gij wapenen in uw tent", zeide Ferguut rustig, „neem ze dan op, en strijd tegen mij."

De ridder ging heen. Ferguut wachtte hem.

Bij de tent riep de ridder tot zijn geliefde:

„Haal mijn wapenen, ik moet strijden."

De jonkvrouw wist, welke wapenen hij verkoos. Zij bracht hem zijn harnas, zijn stalen schild en zijn zwaard. Het ros voerde ze voor hem, zij hield den stijgbeugel. Snel reikte ze hem nog de scherpe lans, en hij reed woest Ferguut tegemoet.

„Wacht u, heer ridder! die mijn dwergsloegt... wacht u voorwaar! het gaat om uw leven."

Ferguut, die hem zag komen, glimlachte om deze woorden . Hij gaf zijn paard de sporen, en de ridders reden elkander tegemoet. De rossen bogen de knieën en met zulk een kracht stiet Ferguut zijn vijand tegen het schild, dat de vreemde ridder uit den zadel sloeg. De stijgbeugels bogen beide.

19*