Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ridder sprong op, en trok het zwaard uit de scheede. Ook Ferguut trok zijn zwaard. De jonkvrouw zag toe.

Zwaar van slag was iedere houw, en als met bijlen geslagen dreunde het woud. Nu eens was het Ferguut, dan weder de ridder, die scheen te overwinnen. Hun schilden waren gebroken.

Ferguut hief' t zwaard hoog, en gelijk een dalende hamer zoo fel, deed hij het snijdend staal komen op zijn's vijands helm, die spleet en in één ruk gleed 't zwaard door in den harden schedel.

Tot Ferguut kwam nu de ridder, om hem te smeeken: „Ridder! genade, laat mij leven. Ik ben overwonnen, nooit zal ik tegen u kunnen strijden. Wilt gij mij dooden — het is in uw macht." j*j

„Ga morgenvroeg naar koning Arthur , zeide Ferguut mild, „met den dwerg, en uw vriendin — geef hem ulieden gevangen."

's Daags, dat hij verder-reed, was hij den strijd al weder vergeten, en zoo ging het hem na ieder avontuur. Want hij was niet uitgegaan, om te strijden, doch om Galiëne te vinden, en als zich roovers of ridders op zijn wegstelden, strafte hij hen voor hun euvelmoed, doch dan reed hij weder verder, denkende aan Galiëne, en aan zijn liefde. De ridderen, die hij overwon, togen naar 's konings Arthur s hof, en ze zeiden, dat Ferguut hen gezonden had. Ze groetten den koning en zijn heeren, behalve Keye, die met Ferguut den spot had gedreven. Toen werden boden gezonden, om Ferguut te zoeken, doch ze vonden hem niet. Want Ferguut reed uit om het witte schild. Een dag, dat hij meer had geleden dan ooit te voren, kwam hij aan een fontein, en daar hij in twaalf dagen niet had gedronken, bukte hij zich naar het water, en gretig leschte hij zijn dorst. Wonder! nauwelijks had hij zich weder opgericht, of alle pijn was hem verre; met was hem Galiëne's naam meer een wonde, diep gesneden in zijn vleesch, tot in zijn bloed brandend, maar zoet was