Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het te denken aan ijprleden en toekomst. Zijn ziel was blijde, als zongen er leeuwerikken. Hij meende al wel, dat hij hier Galiëne zou vinden, zoo blijde was 't om hem.

Bij de fontein stond een marmeren kapel; daarvoor zat een kleine dwerg, die tot Ferguut riep:

„Ridder! wat zoekt gij hier? Meent ge, dat ge hier Galiëne vinden zult? Een zot zijt gij. Eeuwig kunt ge hier weenen, aleer ge Galiëne hier zoudt zien."

„Lieve dwerg", aldus antwoordde Ferguut, „hoe kent gij de schoone vrouw, van wie ge spreekt?"

„In een ander rijk, vóór gij waart geboren. Nooit zult ge haar vinden, Ferguut, gij moet 't witte schild hebben, dat van ivoor is gemaakt. In donkren nacht geeft het drie mijlen in den ronde licht. Hij, die 't draagt, zal niet worden overwonnen, is hij ten doode toe gewond, hij wordt genezen. Die het schild draagt, hij wordt nooit oud, hem is het wel te moede, des avonds en des morgens is hij blijde. Hij wordt overal geëerd, zulk een man. De vrouwen minnen hem. Vaar wel, ridder."

In de kapel stond thans de dwerg, hij sloot de deur, en grendelde ze. Luid smeekte Ferguut:

„Lieve dwerg, hoor mij, zeg mij, waar ik het schild kan vinden. Doe de deur open en laat mij bij u komen. Ik heb Galiëne lief — dwerg —"

Er kwam uit de kapel geen antwoord, en Ferguut, die eerst aan de fontein zijn kracht had herwonnen, zag nu, dat de dag voor hem terugweek. Nevelen daalden van den hemel, stegen uit de aarde. Galiëne was verder van hem dan ooit te voren. Het witte schild stond hoog en onbereikbaar tusschen hen.

Weder ving zijn eindelooze zwerftocht aan. Velen stelden zich op zijn weg, dan bevocht hen Ferguut met alle kracht, doch ook hier was hij niet gegaan, om te dooden. Nergens hoorde hij van het witte schild, tot hij kwam in een land, waar het stil was, en waar in de verte een jongen schapen hoedde. Hij reed tot hem, en vroeg met moede stem,

Sluiten