Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Arthur zag haar aan, en zeide vriendelijk:

„Zoo ware helpe mij God. Zoo Genovere dood ware, nam ik u tot vrouw. Ik ken geen ridder, die u betaamt. Hoor mij daarom aan, wat ik te raden heb. Ik zal boden zenden naar alle landen, en een tournooi uitroepen, waarin mijn ridderen zullen strijden tegen hen, die van buiten komen. Een maand lang zal het tournooi duren, en wie hierin overwint, zal waardig zijn voor uw liefde."

„Heer, ge bewijst mij vriendschap en groote eer. Wat gij wilt doen, is mij goed."

De koning deed brieven zenden naar alle landen, om in het strijdperk te komen, doch Ferguut hoorde niets van het tournooi, tot hij in het woud een dwerg tegenkwam, die er henen reed.

„Heer ridder! als gij er wilt zijn, moet gij u haasten."

Ferguut wapende zich.

„Nu zal ik Keye ontmoeten."

Op Pennevare reed hij. Het tournooi zou beginnen. Des konings standaard stond in het veld. Luide riepen de herauten:

„Ridders! het is tijd. Wapent u! Wapent u!"

Allerwege waren stellages, waar vrouwen op zaten, die blijde naar de stemmen luisterden, welke de ridders ten tournooie riepen. Op de hoogste stellage waren de koning Arthur, Genovere, Gahene, de koningin van Avalons, Aglentine, Alemandine, Sibilie, alle schoone en voorname vrouwen. Keye kwam vóór koning Arthur. Alle ridderen van de tafelronde hadden de helmen gebonden. Keye riep uit:

„Koning! mij lokt 't eerste gevecht. Ginder zie ik een ridder, diens paard wil ik de koningin van Rikenstene geven.

Ferguut zag Keye, die met hem had gespot, en nooit had hij zich zoo krachtig gevoeld. Niemand kende hem. Keye meende al wel gemakkelijk spel te spelen. Hij stiet met zijn lans tegen 's ridders schild, en de schicht brak. Los, spottend, kwam Ferguut's slag terug. Keye tuimelde

Sluiten