Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WONDERLIJKE GESCHIEDENISSEN UIT FRIESLAND.

OMSTREEKS het jaar zes en dertig honderd en zestig na het ontstaan der wereld dienden er onder Alexander den Groote drie broeders, Friso, Bruno en Saxo als oversten, die, nadat de koning was gestorven, zeer gehaat waren, en daarom vertrokken, nieuwe landen en avonturen tegemoet. Zij namen niet veel met zich mede, slechts twee wonderdoende sieraden, een ijzeren kroon en een rood vaandel, en na veel ondervindingen bereikten zij een woest land, waar geen steden en geen dorpen waren. Ze vonden er een rivier, het Vlie genaamd, en daar onderzochten zij den bodem, die goed en vruchtbaar bleek. Ze bouwden er tempelen, die zij wijdden aan den god Stavo, en de godin Tamfana: in den tempel der godin bewaarden zij kroon en vaandel.

In den beginne leefden zij als broeders tezamen, de dagen gingen stil voorbij, zon en regen waren op hun velden. Op de weiden graasden hun runderen, op hun velden groeide graan, en het scheen, of ze altijd wel zoo bij elkander zouden blijven, in vrede en eenzaam geluk. Maar er kwam een zomer, dat ze plotseling als vreemden tegenover elkander stonden, want de één verweet den ander, dat zijn runderen niet op den aangewezen grond weidden. Het duurde geruimen tijd, voor ze wisten, dat ze toch broeders waren, en Friso, de oudste, wilde Bruno en Saxo met hem doen loten, wie zou blijven en wie vertrekken: is immers de broederschap eens gekrenkt, dan kan ze niet weder gedijen. Zoowel Bruno en Saxo verzetten zich hiertegen, en ze riepen uit:

„Gij zijt de oudste, en gij hebt alle rechten." Hierna vertrokken zij, het onbekende Oosten tegemoet. Saxo bouwde zijn huis in het land aan de verre Elbe, Bruno timmerde, hem ten Westwaart, een stad, die hij Brunswijk noemde, uitroepende:

„Ik, Bruno, ben altijd voor mijn broeders geweken.

Sluiten