Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar antwoord. Waren zij koningskinderen? Toen werden zij blijde om het leven. Zij smeekten, dat ze niet in het stille kasteel zouden blijven. Ridderen waren zij, die aan 't hof behoorden.

„Blijft hier —" klaagde de moeder.

„Laat ons gaa* —", riep Edmond, de oudste, uit. „Koning Elderik zal ons goed ontvangen, en we beloven u, trouw en moedig te zijn."

„Luister niet alleen naar de stem van uw hart—o! denkt ook aan mij."

„We zijn jong. Wil iemand, die ouder is, ons tegenhouden?"

„Ik wil niet, dat gij gaat. Hoe weet ge, dat koning Elderik u goed zal ontvangen? Begrijpt, dat ik wel een koningsdochter ben, doch uw vader was slechts de dienaar van mijn vader."

Hierna zwegen ze, en zagen ze vóór zich; en Sophia vergat, dat de marskramer bij haar was geweest, want nooit meer spraken haar zonen over hun geboorte. Ze wist niet, dat de koopman een bode was, die doorkoning Elderik was afgezonden. Ze vertrouwde op zijn woord, dat hij zwijgen zou. Daar de dagen werden, wat ze vroeger waren geweest, geloofde de vrouwe van Heusden, dat ze nooit weder zouden veranderen.

De marskramer had niet lang vertoefd in de lage landen. Nergens had hij zijn koopwaar meer aangeboden, immers dacht hij:

„Ik draag een tijding bij me, die duizend goudstukken waard is. Laat ik gaan naar koning Elderik, en hem zeggen, dat zijn dochter leeft, en dat haar man, die dienaar was aan zijn hof, is gestorven. Duizend goudstukken zal hij me daarvoor betalen, en hoeveel voor de andere tijding, dat er nog twee jonge knapen van koninklijk bloed zijn? Zoo de eerste tijding duizend waard is, hoeveel dan de tweede?"

Aan zijn belofte dacht hij niet meer. Zoo spoedig hij kon, ging hij naar Engeland, naar koning Elderik's hof. Hij was

Sluiten