Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VLIEGENDE HOLLANDER.

EEN hulpeloos schip in den woedenden storm, en het land nabij. De golven sloegen tegen het zwakke t hout, en de wind floot langs de zeilen. De storm eindigde niet, en dreef het schip Westwaarts en Oostwaarts, Noordwaarts en Zuidwaarts; geen stuurmanskunst kon het leiden. De storm was meester.

De kapitein van der Decken stond bij de mast, en had zijn handen tot vuisten gebald.

„De duivel! ik zal het land bereiken, al zou ik tot den jongsten dag moeten varen."

„Hahaha", joelde de storm. „Hahaha", lachte de duivel. Aan dek van het schip sprak niemand meer een woord. De wind floot. De golven zwiepten en zweepten. Het land was nabij, en bleef verre. De storm duurde voort, van eeuwigheid tot eeuwigheid, geen seconde ging voorbij, zonder den wind. t „Laat mij sterven", bad van der Decken. „Hahaha , joelde de storm.

De wind dreef hem naar een rots. Te pletter zou t schip nu loopen. Dit was het einde. Maar de wind dreef hen weder terug. Een kaper naderde. Was er niet een schip in nood? Zeker zou het rijke schatten aan boord dragen. Het was van een Hollander. De storm lachte. Recht-aan zeilden 'de roovers op de buit toe. Hahahaha — als zij dichtbij waren, sloeg de wind de twee vaartuigen vaneen, en nooit kwamen ze weder tezamen.

„Hahaha", schreeuwde de duivel, „tot den jongsten dag zult ge varen, als ge niet door de trouw van een meisje wordt verlost. Maar trouw bestaat niet op deze wereld. Haha! Zeil — nooit zult ge rust vinden."

„Laat mij eens in de zeven jaren aan land gaan — vind ik geen trouw, dan zal ik weer mijn schip bestijgen en zeilen, waar de storm mij slaat."

„Eens in de zeven jaren — een enkelen nacht — Lach, alle duivelen!"

Sluiten