Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat is er, mannen? Geen antwoordde hem, tot eindelijk de stuurman schor riep: n

„De Vliegende Hollander! Wat zou 't anders zyn?

Klets! de pijp van den schipper vloog in zee. DeMakkumer stond rechtop en zei toornig:

„Zoo! zoo! dan zijn we hem eer schuldig ook. De eer zal hij van den Fries hebben."

Voor de stuurman begreep, wat de schipper in het zin had, was deze al in de kajuit, en hij kwam met een brandend hout terug. Hij laadde een draaibus, en liet het kruit ontploffen. Het schot knalde.

,,'t Is onze dood", dacht een ieder. Maar deMakkumer laclltc.

„We geven hem alle eer, die hem toekomt." Hij wees te loevert.

„Kijk! er is geen schip meer. Wat wou de Vliegende Hollander van ons?"

De nacht week terug, en men voer in een schemerend licht. Nu eerst durfde het scheepsvolk om zich te zien, en het was, zooals de kapitein had gezegd. De spookschuit was verdwenen. De schipper ging naar zijn kajuit, haalde een nieuwe pijp, en dampte een oogenblikje later weer, of er niets was gebeurd. De stuurman en bootsman keken zeer verwonderd naar lucht en zee: het volk kon wel naar kooi gaan. Wie dacht er nog aan gevaar?

Men hoorde den schipper lachen.

„Ik heb hem de eer gegeven; hij heeft niets op me aan te merken!"

Dit nu stemde menigeen bang, en men fluisterde, dat het eind der reis nog niet gekomen was. Men ging den ouwe uit den weg, die deed, of hij niets bemerkte. Even rustig en leutig bleef hij als vroeger, kalmpjes rookende. De stuurman zei tot den bootsman: *

„De schipper is voor den Duivel nog niet bang.

„Ik wou, dat ik niet gemonsterd had."

„In de Middellandsche Zee zijn roovers — daar zal

22*

Sluiten