Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't gebeuren. We hebben niet voor niets den Vliegenden Hollander te loevert gezien."

„O! mijn vrouw en kinderen te huis ..."

„Daar is de schipper ..."

Langzaam schreed de Makkumer over dek, de handen in de zakken, en de pijp natuurlijk in den mond. Ging dan de schipper soms met de pijp te kooi? De twee mannen zwegen, hoewel ze begrepen, dat de ouwe hun gedachten ried.

Er woei maar weinig wind, en over een effen baan gleed het schip. Toen ze in de Middellandsche Zee kwamen, werd het bijna windstil. Men kwam slecht vooruit, en een ander kapitein ware misschien boos geworden, en had het volk uitgescholden. De Fries echter bleef kalm, en hij keek, of hij dit alles wel verwachtte.

Des avonds in de rozig-getinte schemering — nog was de hemel ultramarijn, doch zee en lucht waren reeds door het duister bewogen — hoorde men 't zacht geplas van riemen, en men spande zijn oogen in, om te zien. Een boot naderde.

„Zoo —" zei de schipper, „zijn ze er al?" en hij verzamelde zijn manschap. Allen stonden om hem heen. Men wist, dat hij alleen redden kon. Hij nam zijn pijp uit den mond, en wees naar de verte.

„Jongens —", fluisterde hij, ,,'thangt ervan af, of die daar ginds ook is! Wanneer de boot alleen komt, heb dan geen vrees. Maar jullie moeten me helpen." De stuurman vroeg kreunend:

„Komen we er behouden door?" De Fries wierp zijn pijp op dek, zoodat de stukken uitspatten, en hij antwoordde bedaard.

,,'t Zal wel gaan."

„Wat moeten we dan doen?"

„Jongens! neem zeven leege flesschen en breng ze me. Kok! heb je nog een paar mooie stukken hout, van die half-smeulende ?''

Sluiten