Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't dialect van Canne opgenomen in dezelfde aflevering van Limburg, 't Begint aldus:

„Kint geer in Canne deen auwe lin, dee tegen De berg, kort aon 't klein kapelke steit, Zen blajerkroen, die is zoe dfk, dat rege Noch zonneschijn, noch wint terdoor en geit."

Mooi klinkt vooral — en als ge in de buurt van Canne komt, moet ge het door een inwoner eens laten zeggen!:

„Zoe min es 't noe in zomerhits kaan snieë En 't nach kaan zijn in volle dageschijn, Zoe min mag geer gebruuk en wet versmieë En zal dees vrouw zich vrijgesproke zien."

Mirjam, Sage uit den Achterhoek (blz. 101 —106). Wie zal zeggen, of deze sage, van welke ik een achttal jaren geleden nog maar enkele resten aantrof, niet meer een historisch feit is dan wel een overlevering, en of de geschiedenis zich in den tijd van den Zwarten Dood niet ergens in den Achterhoek werkelijk heeft afgespeeld?

Wanneer ik in 1912 had geweten, dat de heer H. J. Westerling in ,,De Gids" een artikel wilde publiceeren over de vroegste geschiedenis der Joden in Nederland („Een Bijdrage tot de vroegste geschiedenis der joden in Nederland", De Gids 191 2, IV blz. 512), hadde ik voorzeker zijn artikel kunnen completeeren. Onder de plaatsen, welke de heer Westerling als verblijfplaats in het beruchte jaar 1349 voor de Joden op kan geven, behoort Ruurloo niet. Wel werden toen de Zwolsche Joden „ad majorem Dei gloriam" (of hier heerschte de amor Dei) doodgeslagen. Geheel uit liefde tot God, vertaalt de heer Westerling, die verder uit een Joodsch gebedenboek, in de 14e eeuw geschreven, aanhaalt de volgende plaatsen, waar in 1349 tijdens den Zwarten Dood gemoord werd:

Nijmegen, Arnhem, Zutfen, Deventer, Zwolle, Utrecht, Keppel en Broek aan den Ouden IJsel. Men merkt het, dat het meest plaatsen zijn in het Oosten van ons land gelegen, waarvan verschillende in den Achterhoek. Dat

Sluiten