Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van „Haagsche bluffers" hebt ge algemeen gehoord, en de „Werkendamsche brijbroeken" genieten ook eenige reputatie.

In de verklaring dezer namen liggen verschillende verhalen ten grondslag.

Door een onbekenden X is een gedicht op de Weerter rogstekers geschreven. Hieraan is 't volgende ontleend:

Te Weert had nog niemand de peluw verlaten, Toen knakkend de kar ging de straat op en neer, De hoef van de paarden reeds klonk door de straten. Ineens ploft de rog uit de hotsende kar. En ligt als een ongedierte achter den wagen. Zijn vaalzwart, maar flikkerend oog als een star, Is zeker een teeken van onheil en plagen. Weldra komt een aaklig, naar galmend geschreeuw De rust der ontwakende Weertenaars storen . . ."

De aanval op den rog wordt op geestige wijze aldus geteekend:

„Jan, steek!" riep een vrouw, die het venster uitkeek. „Als gij uw Jan", zei de andre, ,,'t gevaar zoo zaagt tergen Als mijn Jan, dan zoudt ge niet zeggen: Jan steek L Dan zoudt ge geen zekeren dood voor hem vergen."

En het roepen der landlieden:

„Alarm slaat nu 't doffe gerommel der trom,

Verspreidt de verwondering door de gehuchten,

Die allen in roer zijn: het klokkengebrom

Doet ijslijk de loopende landlieden zuchten.

Zij stroomen met hoopen door 't veld; als een wolk,

Zoo worden zij zwart door de straten gedreven,

En dringen vooruit door het krielende volk,

En vragen: „Wat is er. Wat wil toch dat leven?"

't Onheil, dat de rog heeft aangericht:

,,'t Heeft in Hamont drie menschen verscheurd, Vandaar is het pijlsnel op Budel gevlogen, Daar viel ook dit lot aan een koopman te beurt, Men randde het aan en 't verdween uit hun oogen." „Het heeft", zegt weer deze, „met ijslijk gehuil In 't vliegen een driejarig kind opgenomen, Met 't schreeuwende wicht in zijn bloedigen muil Vloog 't heen als een wind, over huizen en boomen.

Sluiten