Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kabouterwraak (blz. 137—149). Wanneer hier niet bij was vermeld, dat de Drentsche boerenjongen, dien ik Hilbert heb gedoopt, 't eerst over het Ellertsveld was gegaan (het Ellertsveld, dat zoo vol is van sagen en verhalen) en daarna (zie bladzijde 145) voor de Gietensche herberg stil had gehouden, dan had ik waarlijk geaarzeld, of ik dit verhaal bij de,,sagen" wel had opgenomen. Want het vertoont vele sprookjesachtige motieven, en één deel van Schrijnen's definitie over 't sprookje is hier aanwezig: „het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal . . .", doch 't andere deel: „zonder beperking van plaats, persoon of tijd", kunnen wij niet aantreffen.

Men zal onder de sagen, welke in dit boek voorkomen, er nauwelijks één kunnen vinden, welke zoo onmiddellijk uit den „volksgeest" is ontstaan. Het ontmoeten van Hilbert en Japikje; hun vrijage; haar weigering, om iets met hem te eten; haar wreed uitstel; 't avontuur der beide jongelingen uit 't Zuiden; zijn gang over het Ellertsveid, waarbij hij niet zijn beste pak aantrekt... Ook de flesch jenever, die hij bij zich steekt heeft haar gezonde bestaansreden.

Immers, waar in verschillende deelen van ons vaderland (Achterhoek b.v.) een jongen, die naar een meisje uit een vreemde buurtschap vrijt, dikwijls groote kans loopt door de plaatsgenooten van 't meisje te worden afgeranseld, weet de Drentsche jongeling veelal een dergelijk avontuur te ontgaan, door de „eigenaars" op jenever te tracteeren. Inderdaad: eigenaars. Niemand heeft het recht, zich met haar te bemoeien, zonder hun toestemming.

De flesch jenever, die Hilbert met zich mede-neemt, is in het oorspronkelijk verhaal dan ook niet voor hem-zelf bestemd, doch om ,,'t wicht in het Noorden" te koopen. Eerst, als hij de kabouters ontmoet, begint hij te tracteeren, daar hij anders niet weet, hoe hij de guurkes voorbij moet komen.

De volkshumor is deze belangwekkende lezing geestiger

Sluiten